ECLI:NL:CRVB:2018:4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Schoneveld
- J.T.H. Zimmerman
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens beschikking over vermogen BV
Appellante, directeur en enig aandeelhouder van een BV, ontving bijstand sinds 2013. Na verkoop van aandelen van een andere BV ontstond in 2015 een bedrag van €116.997,- aan liquide middelen op de balans van haar BV.
Het college trok de bijstand per 1 maart 2016 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 2013-2016 terug, omdat appellante redelijkerwijs kon beschikken over het vermogen van haar BV. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een zodanige verstrengeling tussen appellante en de BV dat het vermogen van de BV als haar vermogen moet worden beschouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het vermogen van de BV los moet worden gezien van haar privévermogen, maar de Raad verwierp dit. Gezien haar positie als directeur en enig aandeelhouder, haar bevoegdheid over de gelden en het feit dat zij in 2015 al €31.300,- voor privédoeleinden onttrok, kon zij redelijkerwijs over het vermogen beschikken.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraken en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen van haar BV en wijst het hoger beroep af.