ECLI:NL:CRVB:2018:4016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering WIA-voorschot na arbeidsongeschiktheid callcenter medewerker
Appellante was sinds 1 maart 2012 arbeidsongeschikt voor haar werk als medewerker klantencontact en ontving ziekengeld van het UWV. Op 1 juli 2013 begon zij te werken als callcenter medewerker, maar meldde zich op 21 november 2013 ziek voor deze functie. Het UWV stelde vast dat zij per 27 februari 2014 niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In eerdere procedures werd vastgesteld dat 1 maart 2012 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag was en dat het gaan werken als callcenter medewerker geen nieuwe wachttijd deed aanbreken.
Het UWV besloot op 3 februari 2016 dat appellante vanaf 19 november 2015 geen recht had op een WIA-uitkering en vorderde betaalde voorschotten terug. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellante per 19 november 2015 de wachttijd had vervuld voor haar ongeschiktheid als callcenter medewerker en dat het UWV ten onrechte geen nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek had verricht.
De Raad oordeelde dat er geen grondslag was voor terugvordering van het voorschot en vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen en werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt toegewezen en het besluit van het UWV tot terugvordering van WIA-voorschotten wordt vernietigd.