ECLI:NL:CRVB:2018:399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit UWV wegens onjuiste afronding en bevestiging schending inlichtingenplicht
Appellant kreeg aanvankelijk een WW-uitkering toegekend, maar het UWV bracht hem later met terugwerkende kracht onder de Wet WIA en trok de WW-uitkering in. Vervolgens ontdekte het UWV via Suwinet dat appellant inkomsten had genoten bij een centrum, waardoor hij te veel WIA-uitkering ontving. Het UWV legde een boete op wegens het niet melden van deze inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het opleggen van een boete passend was. De boete werd vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag en afgerond op een veelvoud van €10.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn werkcoach wel had geïnformeerd, wat niet aannemelijk werd geacht. De Raad onderschreef de rechtbank in dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, maar oordeelde dat de boete niet correct was afgerond omdat de wettelijke bepaling voor afronding was vervallen. De Raad stelde de boete vast op €1.780,14, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de kosten van appellant.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €1.780,14 en het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd.