ECLI:NL:CRVB:2018:3978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige medische toetsing
Appellante, die sinds 2007 arbeidsongeschikt is, kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Na een heronderzoek in 2015 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de WGA-loonaanvullingsuitkering werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig hadden vastgesteld dat appellante geschikt was voor bepaalde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist was vastgesteld en dat sprake was van schending van het equality of arms-beginsel, onder verwijzing naar het arrest Korošec. Zij stelde dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk medisch deskundige had benoemd en dat de rapporten van het Instituut Psychosofia onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunt te onderbouwen. De rapporten van het Instituut Psychosofia werden niet als medisch objectief beschouwd. Er was geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel en geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsartsen te betwijfelen. De Raad bevestigde de intrekking van de uitkering en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering en wijst het hoger beroep af.