ECLI:NL:CRVB:2018:3969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering en toeslag bevestigd wegens onvoldoende beperkingen
Appellante, werkzaam geweest als thuishulp en schoonmaakster, kreeg een WGA-loonaanvullingsuitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering en toeslag omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, ondanks een procedurele tekortkoming die werd gepasseerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat beëindiging van de uitkering strijdig was met het evenredigheidsbeginsel. Zij overlegde medische rapporten en stelde dat de geselecteerde functies te belastend waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische onderzoeken en Functionele Mogelijkhedenlijst gaven onvoldoende aanknopingspunten voor verdergaande beperkingen. Ook werd geoordeeld dat appellante, gezien haar opleidingsniveau, computergebruik in afzienbare tijd kan aanleren en dat de functies geschikt zijn.
De financiële achteruitgang rechtvaardigt geen toetsing aan het evenredigheidsbeginsel omdat de beëindiging op dwingendrechtelijke bepalingen is gebaseerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering en toeslag wordt bevestigd.