ECLI:NL:CRVB:2018:3952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellante was sinds 20 januari 2009 aangewezen voor een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar, dat aanvankelijk ongegrond werd verklaard, maar later door het UWV alsnog werd toegewezen met een vaststelling van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond en niet-ontvankelijk voor het eerdere besluit. Appellante ging in hoger beroep tegen de ongegrondverklaring van haar beroep en voerde aan dat haar psychische klachten waren onderschat, onderbouwd met een brief van haar psycholoog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad stelde vast dat de diagnose van de psycholoog niet leidde tot andere conclusies over de beperkingen van appellante. De verzekeringsartsen hadden de beperkingen adequaat beoordeeld en de geselecteerde functies waren passend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt voortgezet met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, hoger beroep ongegrond.