ECLI:NL:CRVB:2018:3925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante, werkzaam als medewerkster linnenservice, viel uit wegens rug- en psychische klachten en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 stelde een arts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geschikt was voor andere functies met een berekende arbeidsongeschiktheid van 0%.
Het UWV besloot daarop de WGA-uitkering te beëindigen, wat appellante betwistte met het argument dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld. Diverse medische rapporten, waaronder van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, onderschreven de oorspronkelijke bevindingen, met enkele aanpassingen in de FML.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de FML juist was vastgesteld. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd benadrukt dat de objectieve medische onderbouwing leidend is en niet de subjectieve klachten van appellante. De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat het besluit van het UWV op een deugdelijke grondslag berust.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WGA-uitkering is terecht beëindigd na zorgvuldig medisch en arbeidsdeskundig onderzoek.