ECLI:NL:CRVB:2018:3905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hernieuwde toekenning WAZ-uitkering wegens juiste vaststelling maatmaninkomen
Appellant startte in augustus 1997 een onderneming en raakte enkele maanden later gedeeltelijk arbeidsongeschikt door een ernstig auto-ongeluk. Hij vroeg hernieuwde toekenning van een WAZ-uitkering, waarbij het UWV het maatmaninkomen had vastgesteld op het minimumloon vanwege een negatief bedrijfsresultaat in het eerste boekjaar.
De rechtbank oordeelde dat het UWV dit maatmaninkomen terecht had vastgesteld, omdat volgens het overgangsrecht de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing is en het maatmaninkomen gebaseerd moet zijn op de door de Belastingdienst geaccepteerde winst. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de hoge investeringen bij de start het resultaat vertekenen en dat extrapolatie van de omzet naar een heel jaar wel winst zou tonen.
De Raad oordeelde dat de hoofdregel is dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld op basis van de door de fiscus geaccepteerde nettowinst, en dat extrapolatie van omzet niet leidt tot een ander resultaat als het fiscale resultaat negatief is. De omstandigheid dat appellant kort na de start arbeidsongeschikt werd, rechtvaardigt geen afwijking van deze regel. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het maatmaninkomen is terecht op het minimumloon vastgesteld.