Uitspraak
16 1651 PW, 18/1414 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 169,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand volgens de WWB gedurende meerdere perioden tussen 2000 en 2010. Een onderzoek in het kader van het project 'Vermogen in het buitenland' bracht aan het licht dat appellante sinds 2003 eigenaar was van meerdere onroerende zaken in Turkije, waaronder een winkel, bedrijfspand en een perceel bouwgrond met een appartementencomplex. Deze bezittingen had zij niet gemeld aan het college, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten.
Appellante stelde dat zij niet over het vermogen kon beschikken omdat het testament van haar vader bepaalde dat het vermogen aan haar kinderen zou toekomen en dat de onroerende zaken feitelijk voor hen bestemd waren. Ook voerde zij aan dat de waarde van het perceel bouwgrond niet was vastgesteld en dat de terugvordering daardoor onevenredig zou zijn.
De Raad oordeelt dat appellante juridisch eigenaar was en daarmee beschikte over het vermogen, ongeacht de intenties van haar vader of het feit dat de onroerende zaken later aan haar kinderen zijn overgedragen. De huurcontracten en verklaringen van derden veranderen hier niets aan. De Raad stelt vast dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. De stelling van onevenredigheid faalt omdat geen taxatie van het perceel bouwgrond is overgelegd.
De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het nader besluit ongegrond, en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.