Uitspraak
16.8029 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
het vernietigde besluit van 27 januari 2016;
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2005 bijstand en stond ingeschreven op een adres in [plaatsnaam 1]. Na een anonieme melding dat zij samenwoonde met een man uit [plaatsnaam 2] en haar kamer slechts een postadres was, werd een uitgebreid onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond uit het opvragen van bankafschriften, dossieronderzoek, raadplegen van registers, verbruiksgegevens van nutsvoorzieningen, waarnemingen, een technisch hulpmiddel, buurtonderzoek, hoorzittingen en een huisbezoek.
Op basis van deze bevindingen trok het dagelijks bestuur de bijstand per 1 april 2015 in en vorderde de betaalde bijstand terug over de periode 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2015, stellende dat appellante niet meer haar woonplaats had in [plaatsnaam 1]. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het dagelijks bestuur onvoldoende feiten heeft verzameld die overtuigend aantonen dat appellante haar woonplaats had verlegd. De waarnemingen en verbruiksgegevens zijn onvoldoende om het centrum van haar maatschappelijk leven buiten [plaatsnaam 1] te plaatsen. Appellante had een eigen woning, haar bezittingen en leefpatroon wezen op verblijf in [plaatsnaam 1], en zij ontving post en bezocht familie en voorzieningen aldaar.
De Raad vernietigt het bestreden besluit wegens gebrek aan een deugdelijke feitelijke grondslag, herroept het besluit tot intrekking en veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag.