ECLI:NL:CRVB:2018:3800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding bij aanvraag bijstand Participatiewet
Appellant diende op 5 april 2016 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij hij verklaarde alleenstaand te zijn en bij [A] te wonen. Het college wees de aanvraag af op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Na bezwaar en een tweede aanvraag werd dit standpunt gehandhaafd. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 lid 3 PW Pro. De Raad oordeelde dat uit de verklaring van appellant blijkt dat er voldoende wederzijdse zorg is, zoals het bieden van onderdak, gezamenlijke boodschappen en het delen van huishoudelijke taken, ook al zijn de zorgaspecten niet gelijkwaardig van omvang.
Voor de periode na 22 juli 2016 geldt op grond van artikel 3 lid 4 PW Pro een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding omdat appellant en [A] als gehuwden werden aangemerkt. Het hoger beroep werd afgewezen en de verzoeken tot schadevergoeding werden eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvragen wordt bevestigd.