ECLI:NL:CRVB:2018:3794
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toekenning op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellante verzocht om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Een eerdere aanvraag uit 1999 werd afgewezen omdat niet was vastgesteld dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld. Dit besluit werd destijds niet aangevochten.
In 2016 diende appellante een nieuw verzoek in, dat eveneens werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar in 2017. De Raad toetste de aangeleverde verklaringen en concludeerde dat deze niet aantonen dat appellante persoonlijk en direct betrokken was bij beschietingen of extreem geweld.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken, waaronder die over haar broer, waarin eveneens geen bewijs van directe betrokkenheid werd gevonden. Ook het feit dat appellante onder de ruimere criteria van de Algemene Oorlogsongevallenregeling is erkend, leidt niet tot een ander oordeel onder de strengere Wubo-criteria.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de Wubo-uitkering blijft in stand.