ECLI:NL:CRVB:2018:244
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1942, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van een treinreis in de oorlog die gebombardeerd zou zijn. Verweerder weigerde de aanvraag omdat niet voldoende was aangetoond dat appellante getroffen was door oorlogsgeweld.
De Raad onderzocht de aangevoerde feiten en het sociaal rapport waaruit bleek dat appellante geen eigen herinneringen aan de oorlog heeft en dat ook haar familieleden niet gewond raakten tijdens de treinreis. Navraag bij archieven en instanties leverde geen aanvullende informatie op.
Volgens vaste jurisprudentie wordt oorlogsgeweld in de zin van de Wubo alleen aangenomen als betrokkene direct betrokken was, bijvoorbeeld door eigen verwondingen of het meemaken van verwondingen van naasten. Dit was niet het geval. De Raad oordeelde daarom dat de afwijzing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier L.V. van Donk.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.