ECLI:NL:CRVB:2018:3789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering en boete WW-uitkering wegens termijnoverschrijding
Appellant ontving vanaf februari 2015 een WW-uitkering. Na het niet verschijnen bij controlegesprekken trok het UWV de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde onverschuldigde betalingen terug, tevens werd een boete opgelegd wegens het niet melden van werkzaamheden als zelfstandige.
Appellant diende bezwaar in tegen deze besluiten, maar dit bezwaar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de post pas laat ontving doordat hij geen vast woonadres had en slechts sporadisch zijn post controleerde.
De Raad oordeelde dat de besluiten correct waren geadresseerd aan het in de BRP geregistreerde adres van appellant en dat de termijn voor bezwaar correct was gestart. De stelling van appellant dat hij de post pas laat ontving werd niet aannemelijk geacht. De termijnoverschrijding werd daarom niet als verschoonbaar beoordeeld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.