Appellante ontving op grond van de Wmo een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging, toegekend door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college herzag het pgb over 2014 en vorderde een deel terug omdat de inwonende dochter sinds juni 2013 de volledige huishoudelijke zorg zou verrichten, waardoor de toegekende zorg als gebruikelijke zorg werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college terecht het pgb had herzien en teruggevorderd. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat appellante wist dat de toegekende zorg bovengebruikelijke zorg was en dat zij de wijziging in de zorg door haar dochter had moeten melden.
De Raad stelde vast dat het besluit van 7 augustus 2012 niet duidelijk maakte hoe de verhouding tussen gebruikelijke zorg door de dochter en toegekende zorg lag, en dat het college niet kon aantonen dat appellante hierover was geïnformeerd. Hierdoor kon het college niet aannemen dat appellante haar mededelingsplicht had geschonden.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit van 7 september 2015 en veroordeelde het college in de proceskosten. Het college moet het betaalde griffierecht aan appellante vergoeden.