ECLI:NL:CRVB:2018:3684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsongeschiktheid door zwangerschap en bevalling bij psychische klachten
Appellante was werkzaam als kwaliteitsmedewerker en meldde zich ziek tijdens haar zwangerschap met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet- en WAZO-uitkering toe, maar stelde later dat haar arbeidsongeschiktheid niet het gevolg was van zwangerschap of bevalling.
De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden na onderzoek en overleg met de behandelend psychiater dat de psychische klachten van appellante niet oorzakelijk verband hielden met haar zwangerschap of bevalling, maar eerder voortkwamen uit reeds bestaande klachten en een onverwerkt verdriet rondom adoptie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de richtlijn “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” correct was toegepast en dat de zwangerschap een luxerende factor was, maar geen oorzaak van de klachten.
Het verzoek van appellante om schadevergoeding werd afgewezen en het UWV werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit zwangerschap of bevalling en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de arbeidsongeschiktheid wordt niet toegerekend aan zwangerschap of bevalling.