ECLI:NL:CRVB:2018:3683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengelduitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als kwaliteitsmedewerker tot september 2013 en ontving daarna een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na ziekmelding in december 2014 ontving zij ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde bij een beoordeling in oktober 2015 vast dat appellante met beperkingen nog 91,85% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengelduitkering per december 2015.
Appellante voerde bezwaar aan tegen het besluit, waarbij het UWV het besluit aanpaste tot beëindiging per januari 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante de voorgestelde functies kon verrichten.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen groter waren dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2015 waren opgenomen en dat zij niet voldeed aan de opleidingseisen van de functies. Zij onderbouwde dit met medische adviezen en een arbeidsdeskundig rapport. Het UWV handhaafde het standpunt dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies geschikt waren, mede omdat appellante hoger was opgeleid dan vereist.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen uit 2011 niet onverkort hoefden te worden overgenomen in de latere beoordeling. De functies werden medisch en qua opleiding passend geacht. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld bij het beëindigen van de ziekengelduitkering op basis van de resterende verdiencapaciteit van appellante.
Uitkomst: De Ziekengelduitkering van appellante wordt terecht beëindigd per 6 januari 2016 en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.