Uitspraak
14/4519 MAW, 14/4520 MAW, 14/4521 MAW, 17/2915 MAW, 17/2916 MAW,
17/2917 MAW, 17/2918 MAW, 17/2919 MAW, 17/2920 MAW, 17/2921 MAW
Centrale Raad van Beroep
Achttal appellanten, werkzaam als burgerlijke ambtenaren en militairen bij Defensie, voerden beroep aan tegen het besluit van de Commandant Commando DienstenCentra tot beëindiging van de hoge tegemoetkoming in reiskosten per 1 januari 2014. De appellanten stelden dat hun woonadres vaak niet bereikbaar is met openbaar vervoer vanwege onregelmatige werktijden, en dat daarom ook hun woonadres meegewogen moest worden bij de beoordeling.
De Raad oordeelde dat de regelgeving (VKRD) uitsluitend de bereikbaarheid van de plaats van tewerkstelling per openbaar vervoer als maatstaf hanteert, niet de bereikbaarheid van het woonadres. De locatie was altijd bereikbaar, ook op ongebruikelijke uren. De commandant had de hoge tegemoetkoming dan ook terecht beëindigd. Daarnaast werd vastgesteld dat de toekenningen van de hoge tegemoetkoming vanaf medio 2011 het gevolg waren van een verkeerde interpretatie van de regelgeving, waardoor geen recht bestond op terugwerkende kracht vóór die periode.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en wees de beroepen van appellanten af. Er was geen grondslag om de fouten uit het verleden te herhalen en het gelijkheidsbeginsel bood geen aanleiding tot een andere beslissing. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de hoge tegemoetkoming reiskosten per 1 januari 2014 en wijst de verzoeken tot terugwerkende kracht vóór 2011 af.