ECLI:NL:CRVB:2018:3668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant was werkzaam als service monteur en meldde zich ziek na bedrijfsongevallen in 2008 en 2014. Na beëindiging van het dienstverband in 2014 werd appellant ziekengeld toegekend op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het recht op ziekengeld per 25 augustus 2015.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onvoldoende rekening werd gehouden met knie- en hielklachten en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat de aangeleverde medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel aan het oordeel van het UWV. De Raad verwierp het verzoek tot benoeming van een deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het UWV gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.