ECLI:NL:CRVB:2018:3660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na juiste vaststelling psychische beperkingen
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich op 7 januari 2014 ziek met psychische klachten. Na beëindiging van haar dienstverband in mei 2014 kreeg zij ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellante met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) nog in staat was om meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen, en beëindigde daarom haar uitkering per 17 december 2015.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld, inclusief psychische beperkingen zoals depressieve klachten en borderline persoonlijkheidstrekken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV nadere informatie had moeten inwinnen en dat haar psychische klachten haar volledig arbeidsongeschikt maken, maar kon dit niet onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de FML correct was aangepast op basis van de psychische problematiek. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen of de geschiktheid van de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd per 17 december 2015.