ECLI:NL:CRVB:2018:3649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens onvolledige gegevens
Appellante diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college verzocht haar meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder bewijs van inkomsten via de Opting-In regeling in 2016. Appellante reageerde niet tijdig met de gevraagde stukken, waarop het college de aanvraag buiten behandeling stelde en het reeds verleende voorschot terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de gegevens over de Opting-In regeling niet relevant waren omdat deze regeling per april 2016 was beëindigd en zij geen inkomsten meer ontving. Ook stelde zij dat zij door een medewerker was geïnformeerd dat zij geen stukken hoefde in te leveren als de regeling niet van toepassing was.
De Raad oordeelde dat het college terecht om de gegevens heeft gevraagd omdat de inkomsten uit de Opting-In regeling in de periode voorafgaand aan de aanvraag relevant zijn voor de beoordeling. Het gestelde telefoongesprek werd niet onderbouwd en er was geen registratie van contact. Bovendien had appellante op de brieven moeten reageren, ook als zij geen inkomsten had ontvangen. De Raad bevestigde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld op basis van de gegevens in Suwinet, omdat deze niet volledig waren.
De Raad stelde vast dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en het voorschot terug te vorderen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de aanvraag om bijstand terecht buiten behandeling heeft gesteld en het voorschot mocht terugvorderen.