Uitspraak
16.5491 WIA
12 juli 2016, 15/5618 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerkster kindercentrum en viel uit op 16 februari 2012 wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op 12 december 2013 vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een handoperatie op 3 maart 2014 meldde zij zich opnieuw ziek. Het UWV stelde vast dat zij van 3 maart tot 1 mei 2014 volledig arbeidsongeschikt was, waarna haar belastbaarheid terugkeerde naar het niveau van voor de operatie.
Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100% tot 15 mei 2016, maar stelde per 1 mei 2014 de arbeidsongeschiktheid vast op 15,39%. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, met name omdat zij meende recht te hebben op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet voldeed aan de criteria voor duurzame volledige arbeidsongeschiktheid (GBM) op 3 maart 2014, omdat zij niet bedlegerig was, niet ADL-afhankelijk en haar situatie niet medisch stabiel of verslechterend was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de volledige arbeidsongeschiktheid tijdelijk was door de operatie en dat herstel te verwachten was, waardoor geen sprake was van duurzaamheid zoals bedoeld in artikel 4 Wet Pro WIA.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, zij het met verbeterde motivering. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was en geen recht had op een IVA-uitkering.