ECLI:NL:CRVB:2018:3569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek toepassing Amber-bepaling in WAO-uitkering afgewezen
Appellante is sinds 1998 arbeidsongeschikt verklaard wegens diverse klachten en ontving geen WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2015 verzocht zij om herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid, waarbij het UWV geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vond die het eerdere besluit onjuist maakten.
Het geschil in hoger beroep betrof de vraag of de Amber-bepaling van artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO van toepassing was, die aanspraak op een hogere uitkering kan geven bij toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de eerste beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen toename van beperkingen was als gevolg van de oorspronkelijke klachten, en dat latere klachten een andere oorzaak hadden.
Hoewel het UWV pas in hoger beroep haar standpunt gemotiveerd heeft, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek, werd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat aannemelijk was dat appellante hierdoor niet werd benadeeld. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.