ECLI:NL:CRVB:2018:3536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet melden optredens als muzikant
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en verklaarde sinds september 2015 geen inkomsten meer te ontvangen uit muzikale optredens. Na een melding dat appellant toch optrad met zijn band, stelde het college een onderzoek in en concludeerde dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet wist dat hij optredens zonder vergoeding moest melden en dat het college rekening had moeten houden met bijzondere omstandigheden zoals het belang van de muziekcultuur. De Raad verwierp deze gronden omdat de inlichtingenverplichting objectief is en het college verplicht is bij schending hiervan bijstand in te trekken.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen vergoeding ontving of dat hij recht had op bijstand indien hij wel had voldaan aan zijn meldingsplicht. De opgelegde boete werd als proportioneel beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en boete bevestigd.