ECLI:NL:CRVB:2018:353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvordering bedrijfskrediet na faillissement en echtscheiding
Appellante en haar toenmalige echtgenoot G. ontvingen in 2008 een bedrijfskrediet van €74.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Appellante ondertekende de aanvraag mede als echtgenote. Na ontbinding van het huwelijk in 2009 en het faillissement van G. in 2012, vorderde het college het restant van de lening terug, inclusief rente, ter hoogte van €94.904,49.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering deels gegrond, omdat het college zonder haar instemming had afgezien van de voorwaarde dat een nadeelcompensatie van €22.934,- moest worden gebruikt voor aflossing. De rest van de hoofdelijke aansprakelijkheid werd bevestigd.
In hoger beroep betwistte appellante onder meer haar hoofdelijke aansprakelijkheid en het niet nakomen van de zorgplicht door het college. De Raad oordeelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit uit het Bbz en de Wet werk en bijstand (WWB), dat de zorgplicht niet is geschonden en dat de richtlijn oneerlijke bedingen en de Wet op het Consumentenkrediet niet van toepassing zijn op dit bedrijfskrediet. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor de terugvordering van het bedrijfskrediet en verklaart het hoger beroep ongegrond.