ECLI:NL:CRVB:2018:3358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen van besluit beëindiging Ziektewetuitkering en WAO-uitkering
Appellant meldde zich in 1995 ziek en ontving een Ziektewetuitkering, die in 1998 werd beëindigd omdat hij als arbeidsgeschikt werd beschouwd. Appellant verzocht herhaaldelijk om terugkeer van dit besluit en om een WAO-uitkering, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van een arts uit 2015 geen nieuw feit vormde, aangezien de psychische klachten al bekend waren. Tevens was appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt geweest, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onterecht niet was opgeroepen en dat geen onderzoek was verricht, maar de Raad concludeerde dat het verzoek om herziening terecht was afgewezen. De Raad benadrukte dat het verzoek niet gebaseerd was op nieuwe feiten en dat het besluit niet evident onredelijk was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee het besluit van het UWV stand hield.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en het verzoek om een WAO-uitkering werden afgewezen.