ECLI:NL:CRVB:2018:3356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, voormalig begeleidster, was sinds 2009 ziek gemeld en ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van haar ex-werkgever concludeerde het UWV dat zij niet meer volledig arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 2016.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name omdat het was uitgevoerd door een verzekeringsarts in opleiding zonder voldoende expertise voor haar psychische klachten. Tevens stelde zij dat haar beperkingen, waaronder CRPS en psychische stoornissen, onvoldoende waren erkend.
De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Het rapport van de verzekeringsarts in opleiding was getoetst en mede-ondertekend door een geregistreerde verzekeringsarts. De beperkingen en belastbaarheid waren adequaat vastgesteld en de functies die appellante kon vervullen waren medisch geschikt.
De Raad concludeerde dat appellante ten tijde van het besluit niet voldeed aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid zonder benutbare mogelijkheden. Latere medische gegevens betroffen een gewijzigde situatie na de datum in geding en werden niet in dit hoger beroep betrokken. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd per 8 februari 2016 na een zorgvuldig medisch onderzoek.