ECLI:NL:CRVB:2018:3320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond
De zaak betreft een hoger beroep van een buitenlandse vennootschap tegen een besluit van het UWV waarin een loonsanctie is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een werknemer die uitviel wegens neurologische klachten.
De werkgever had een deskundigenoordeel aangevraagd dat concludeerde dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren. Desondanks oordeelde het UWV later dat deze inspanningen onvoldoende waren en verlengde het de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond, waarbij zij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als betrouwbaar beschouwde en geen aanleiding zag voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige.
In hoger beroep betwistte de werkgever dit oordeel en bracht een nieuw medisch rapport in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, mede op basis van meerdere medische en arbeidsdeskundige rapporten. Het deskundigenoordeel van 2015 kon niet als bindend worden beschouwd vanwege het expliciete voorbehoud dat de visie van de bedrijfsarts niet was getoetst door een verzekeringsarts.
De Raad bevestigde dat de werkgever ten onrechte op basis van het deskundigenoordeel is doorgegaan met de re-integratie-inspanningen en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond.