ECLI:NL:CRVB:2018:3310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om terug te komen op het besluit van 3 februari 2006 waarbij zijn arbeidsongeschiktheid was herzien van 80-100% naar 15-25%. Dit verzoek werd door het Uwv afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die niet eerder bekend waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant zijn rugklachten en mentale klachten die hij nu aanvoert, reeds in de eerdere procedure had kunnen aanvoeren.
Daarnaast werd een verzoek om herziening van de WAO-uitkering op grond van vermeende toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de herziening afgewezen. De Raad oordeelde dat appellant geen medische stukken had overgelegd waaruit een toename van beperkingen binnen die termijn bleek. De rechtbank had dit standpunt eveneens bevestigd.
De Raad heeft de aangevallen uitspraken van de rechtbank Amsterdam bevestigd en geoordeeld dat het Uwv zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld. Er is geen sprake van evident onredelijkheid van het bestreden besluit. De Raad wees ook het beroep van appellant af dat zijn toenmalige advocaat destijds niet adequaat zou hebben gehandeld.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.