ECLI:NL:CRVB:2018:3216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en toekenning WGA-uitkering
Appellante was werkzaam als medewerker bijzonder beheer bij een bank en meldde zich op 4 april 2011 ziek wegens pijnklachten. Het UWV kende haar vanaf 1 april 2013 tot 1 augustus 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Op bezwaar wijzigde het UWV het besluit en bracht appellante per 1 augustus 2015 in aanmerking voor een WGA-loonaanvullingsuitkering gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, maar achtte deze niet duurzaam.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts op goede gronden meende dat de beperkingen niet duurzaam waren vanwege de mogelijkheid van verbetering via een revalidatietraject. Appellante betwistte dit en vorderde een IVA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het behandeltraject op 1 augustus 2015 niet meer gericht was op verbetering, maar op pijnbestrijding en klachtenreductie. De verzekeringsarts had een deugdelijke medische motivering gegeven dat ondanks pijnbestrijding nog verbetering mogelijk was door vermindering van pijn. Dat achteraf de verbetering uitbleef, maakt dit oordeel niet onjuist. Het UWV legde pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het besluit ten grondslag, waardoor het formele gebrek wordt gepasseerd.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 augustus 2015 niet duurzaam is en veroordeelt het UWV in proceskosten.