ECLI:NL:CRVB:2018:3214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidspercentage en inkomenseis in WIA-uitkering na bedrijfsongeval
Appellant, werkzaam als monteur in de offshore, viel uit na een bedrijfsongeval in november 2012. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 40% vast en kende een WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, onder meer vanwege vermeende schending van de hoorplicht en onderschatting van zijn beperkingen en maatmanloon.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat geen hoorplichtschending had plaatsgevonden en motiveerde adequaat waarom de geselecteerde functies passend waren. Ook het maatmanloon werd niet verhoogd vanwege onvoldoende bewijs voor hogere toekomstverwachtingen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de beoordeling van de rechtbank over de hoorplicht en beperkingen. De Raad vond het arbeidskundig rapport inzichtelijk en passend, en verwierp het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige. Wel stelde de Raad het arbeidsongeschiktheidspercentage bij op 40,77%, wat een wijziging van de inkomenseis tot gevolg heeft. Hierdoor moest het primaire besluit worden herroepen en werd het beroep gegrond verklaard.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep, en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 oktober 2018 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 40,77%, het besluit herroepen en het UWV veroordeeld in de proceskosten.