ECLI:NL:CRVB:2018:3119

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2018
Publicatiedatum
10 oktober 2018
Zaaknummer
17-2854 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bijstand met terugwerkende kracht voor verstandelijk gehandicapte ondanks belangenbehartiger

Appellante, een verstandelijk gehandicapte vrouw die in zorglocaties woont, verhuisde op 9 oktober 2014 van een zorglocatie in de ene plaats naar een andere locatie binnen hetzelfde bestuursgebied. Naar aanleiding hiervan beëindigde het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van de verhuisdatum. Haar broer, als belangenbehartiger, diende pas op 14 oktober 2015 een aanvraag in voor bijstand met ingang van 27 oktober 2014.

Het dagelijks bestuur kende bijstand toe vanaf de datum van de aanvraag, maar weigerde deze met terugwerkende kracht te verlenen over de periode daarvoor. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder haar handicap en het feit dat zij een belangenbehartiger had, rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend.

De Raad oordeelde dat de belangenbehartiger had moeten weten dat tijdig een aanvraag moest worden ingediend. De late aanvraag kwam voor rekening van appellante. Het feit dat de zorginstelling de belangenbehartiger niet had geïnformeerd, deed hieraan niet af. Ook het beroep op het Gehandicaptenverdrag werd verworpen omdat dit niet tijdig was ingebracht en onvoldoende onderbouwd was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Geen bijstand met terugwerkende kracht toegekend vanwege te late aanvraag door belangenbehartiger.

Uitspraak

17.2854 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2017, 16/2824 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 25 september 2018
Zitting hebben:
A. Stehouwer als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. ter Brugge als leden.
Griffier: J.M.M. van Dalen
Namens appellante is verschenen mr. L. de Leon, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich, zonder bericht, niet laten vertegenwoordigen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om zich te beraden of mondeling uitspraak kan worden gedaan. Tijdens deze schorsing heeft mr. De Leon gemeld niet bij de verdere behandeling van de zaak aanwezig te kunnen zijn. Na hervatting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad mondeling uitspraak gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellante is verstandelijk gehandicapt en woont sinds jaren in zorglocaties van de Stichting [naam Stichting]. Op 9 oktober 2014 is zij verhuisd van de zorglocatie in [plaatsnaam 1] naar de zorglocatie in [plaatsnaam 2]. In verband daarmee heeft het dagelijks bestuur van [plaatsnaam 2], waaronder [plaatsnaam 1] valt, de bijstand van appellante met ingang van
9 oktober 2014 beëindigd. Namens appellante heeft haar broer [naam broer] ([broer]) op
14 oktober 2015 bij de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI), waaronder [plaatsnaam 2] valt, een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van
27 oktober 2014. Het dagelijks bestuur heeft, nadat het eerst de aanvraag buiten behandeling had gesteld, bij beslissing op bezwaar van 2 mei 2016 bijstand toegekend met ingang van
14 oktober 2015, maar geweigerd bijstand te verlenen over de periode voor het indienen van de aanvraag. Aan die weigering heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht moet worden verstrekt. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van
22 februari 2017 het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat haar met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend over de periode van 27 oktober 2014 tot 14 oktober 2015. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante was weliswaar niet in staat haar belangen te behartigen wegens haar handicap, maar zij had een belangenbehartiger die haar zaken regelt, namelijk haar broer [naam broer]. Nadat het die belangenbehartiger eind 2014/begin 2015 duidelijk was geworden dat appellante in verband met haar verhuizing van [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] geen bijstand meer ontving, had het hem op dat moment duidelijk moeten zijn dat hij voor appellante bij de RDWI een aanvraag om bijstand had moeten indienen. Dat heeft hij echter pas op 14 oktober 2015 gedaan. Deze handelwijze van de belangenbehartiger komt voor rekening en risico van appellante. De omstandigheid dat de Stichting [naam Stichting] de belangenbehartiger niet heeft geïnformeerd over de noodzaak om voor appellante opnieuw een aanvraag om bijstand in te dienen maakt dat niet anders.
Appellante heeft in hoger beroep voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het beroep dat zij heeft gedaan op het Verdrag inzake rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag). Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft kunnen oordelen dat deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde is aangevoerd. De beroepsgrond is eerst ter zitting van de rechtbank naar voren gebracht en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat die beroepsgrond niet eerder naar voren had kunnen worden gebracht.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat, hoewel Nederland ten tijde van het bestreden besluit het Gehandicaptenverdrag nog niet had geratificeerd, het dagelijks bestuur op dit verdrag had moeten anticiperen en dat dit meebrengt dat het besluit om geen bijstand met terugwerkende kracht te verlenen geen stand kan houden. De Raad verwerpt deze stelling, omdat een concrete onderbouwing daarvan ontbreekt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) A. Stehouwer

MD