ECLI:NL:CRVB:2018:3049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante viel in november 2012 wegens psychische klachten uit en vroeg in augustus 2014 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij geen recht had op een uitkering, wat bij bezwaar werd bevestigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de beperkingen niet te laag hadden vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen werden onderschat en dat haar privésituatie ten onrechte buiten beschouwing bleef.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante haar standpunten niet voldoende had onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Tevens werd benadrukt dat zorg voor huishouden en kinderen bij de beoordeling buiten beschouwing moet blijven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.