ECLI:NL:CRVB:2018:2998

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2018
Publicatiedatum
2 oktober 2018
Zaaknummer
16/6615 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na bezit onroerende zaken in buitenland

Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college wijzigde de norm naar die van een alleenstaande. Een onderzoek in het kader van het project 'Vermogen in het buitenland' bracht aan het licht dat appellante mede-eigenaar was van 32 percelen landbouwgrond in Turkije, met een waarde van ruim €10.000.

Het college herzag en trok de bijstand terug vanwege het niet melden van dit vermogen en vorderde de ontvangen bedragen terug. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat de terugvordering over de eerste periode (tot 10 september 2012) gematigd moest worden vanwege onaanvaardbare financiële gevolgen, maar handhaafde de terugvordering over de tweede periode.

Het college nam een nieuw besluit waarbij het terugvorderingsbedrag werd aangepast conform de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond omdat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd voor de eerste periode en de gronden voor de tweede periode niet in het geding waren.

In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte de gronden over de tweede periode niet had beoordeeld. De Raad oordeelde dat dit terecht was omdat appellante geen hoger beroep had ingesteld tegen het eerdere oordeel van de rechtbank en geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

16 6615 PW

Datum uitspraak: 25 september 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2016, 16/2051 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.H. Acun, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Namens appellante is mr. Acun verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 7 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 16 oktober 2009 heeft het college de norm gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ (project) heeft een handhavingsspecialist van het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De handhavingsspecialist heeft daarbij gebruik gemaakt van de diensten van Bureau Buitenland en de door dit bureau ingeschakelde diensten van juridisch bureau [juridisch bureau] van [naam] ( [naam] ), advocaat te Turkije. Uit de bevindingen van het door [naam] uitgevoerde onderzoek in Turkije blijkt dat appellante in het Kadastraal Register van het district [district] , provincie [provincie] , als mede-eigenaar staat geregistreerd van 32 percelen landbouwgrond, die zij op 8 oktober 2009 en 10 september 2012 heeft verkregen door overerving. De percelen zijn getaxeerd op een waarde van in totaal € 10.247,96.
1.3.
Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 16 oktober 2009 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante geen melding heeft gemaakt van het bezit van de onroerende zaken en dat haar vermogen de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het college de gemaakte kosten van algemene bijstand, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en koopkrachtregeling over de periode van 16 oktober 2009 tot en met 28 februari 2015 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 83.001,87.
1.4.
Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van
4 maart 2015 en 16 maart 2015 ongegrond verklaard.
1.5.
Bij uitspraak van 28 december 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juni 2015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er twee periodes van terugvordering te onderscheiden zijn. Over de periode van 16 oktober 2009 tot 10 september 2012 (periode 1) heeft de rechtbank vastgesteld dat, gelet op de taxatiewaarde in 2014, de vermogensgrens van € 5.455,- voor een alleenstaande met een relatief gering bedrag (€ 1.269,56) wordt overschreden en dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen heeft voor appellante. Het college dient het terugvorderingsbedrag over deze periode te matigen. Over de periode van 10 september 2012 tot en met 28 februari 2015 (periode 2) is de overschrijding van de vermogensgrens groter, nu appellante in die periode beschikte over een vermogen van € 10.247,96, zodat het beroep van appellante op het bestaan van een dringende reden in die periode niet slaagt. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college de terugvordering over periode 1 had moeten matigen. Het ligt op de weg van het college om nader te bezien tot welk bedrag de terugvordering moet worden gematigd. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.
1.6.
Ter uitvoering van de uitspraak van 28 december 2015 heeft het college bij besluit van
3 maart 2016 (bestreden besluit) de bezwaren tegen de besluiten van 4 maart 2015 en
16 maart 2015 gegrond verklaard, in die zin dat het bedrag van de terugvordering over periode 1 wordt vastgesteld op € 6.724,56, zijnde de waarde van de onroerende zaken in die periode. Het college heeft het bedrag van de terugvordering over periode 2 gehandhaafd op € 36.428,16. De terugvordering bedraagt hierdoor in totaal € 43.152,72. Het college heeft het besluit van 4 maart 2015 gehandhaafd en het besluit van 16 maart 2015 herroepen voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de terugvordering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het terugvorderingsbedrag over periode 1 en dat zij de beroepsgronden tegen de terugvordering over periode 2 onbesproken laat, nu het bedrag over deze periode niet tot de omvang van het geding behoort.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgronden tegen de terugvordering over periode 2 niet heeft beoordeeld.
4.2.
Het niet instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Van een uitzonderingssituatie waarin van appellante redelijkerwijs niet had kunnen worden gevergd dat zij hoger beroep had ingesteld is geen sprake.
4.3.
De rechtbank heeft met het oordeel in de uitspraak van 28 december 2015, als vermeld onder 1.5, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de beroepsgronden tegen de (hoogte van de) terugvordering over periode 2 verworpen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij in goed vertrouwen dacht dat het college ook de terugvordering over periode 2 in het nieuwe besluit zou matigen. Dit is echter geen bijzondere omstandigheid die er toe moet leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van 28 december 2015 niet aan appellante kan worden tegengeworpen.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden over periode 2 is uitgegaan en terecht de beroepsgronden die zagen op periode 2 niet heeft beoordeeld.
4.5.
Appellante heeft geen hoger beroepsgronden aangevoerd over periode 1.
4.6.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en Y.J. Klik en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J. Tuit

JL