ECLI:NL:CRVB:2018:297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij intrekking bijstand
Appellante ontving vanaf 2012 een WW-uitkering en aanvullende bijstand. Over de periode januari en februari 2015 had zij inkomsten boven de bijstandsnorm, waardoor het college de bijstand per 1 januari 2015 introk en de teveel ontvangen bijstand terugvorderde.
Het college verklaarde het bezwaar tegen de intrekking ongegrond en de rechtbank Rotterdam bevestigde dit. Appellante stelde in hoger beroep dat vanwege de wisselende inkomsten en het ontbreken van terugwerkende kracht bij nieuwe bijstandaanvragen, zij gedurende een periode zonder bijstand zou blijven. Daarom zou het college de bijstand moeten verrekenen in plaats van intrekken.
De Raad oordeelt dat appellante over de periode in kwestie geen recht had op bijstand en dat het door haar beoogde resultaat slechts toekomstig belang heeft zonder feitelijke betekenis voor de bestreden periode. Daarom ontbreekt het aan procesbelang en is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 januari 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.