ECLI:NL:CRVB:2018:295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waaruit een melding kwam dat meerdere personen woonden terwijl appellant zelf niet aanwezig zou zijn. Het bestuur voerde daarop meerdere huisbezoeken uit, waarbij appellant niet thuis werd aangetroffen, totdat op 5 oktober 2015 een onaangekondigd huisbezoek plaatsvond waarbij appellant wel thuis was maar weigerde medewerking te verlenen.
Het bestuur trok daarop de bijstand met ingang van die datum in, omdat appellant zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat er voldoende redelijke grond was voor het huisbezoek, gebaseerd op de melding van de verhuurder en de eerdere bevindingen bij eerdere pogingen tot huisbezoek. Ook was het onaangekondigde huisbezoek een passend middel om de woon- en leefsituatie te verifiëren. Het verslag van het huisbezoek maakte duidelijk dat appellant was gewezen op de gevolgen van weigering.
Daarmee was de weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek een schending van zijn medewerkingsplicht, waardoor het bestuur het recht op bijstand niet kon vaststellen en de intrekking gerechtvaardigd was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek wordt bevestigd.