Uitspraak
16.5947 WIA
mr. drs. H. ten Brinke.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid door schouderklachten en fibromyalgie. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid 16,20% bedraagt, onder de 35%-grens voor uitkeringsrecht.
Het UWV wees de uitkering af en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank Overijssel bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij beperkingen zijn vastgesteld en vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond de arbeidskundige onderbouwing overtuigend en wees op jurisprudentie omtrent functie-eisen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de geschiktheid van de voorbeeldfuncties. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek en de FML adequaat en goed gemotiveerd zijn, en dat de arbeidsdeskundige rapporten overtuigend aantonen dat appellante in staat is de voorgestelde werkzaamheden te verrichten.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af, waarmee de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.