ECLI:NL:CRVB:2018:2911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van in het buitenland verkregen bewijs in bestuursrechtelijke bijstandsprocedure
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en de IOAW. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar vermogen van appellanten in Turkije, waaruit bleek dat appellant eigenaar was van diverse onroerende zaken. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellanten voerden aan dat het onderzoek in Turkije onrechtmatig was omdat het niet via een rechtshulpverzoek of met toestemming van Turkse autoriteiten was uitgevoerd, en dat het in strijd was met Turkse wetgeving. De Centrale Raad oordeelde dat voor de rechtmatigheid van bewijs in een Nederlandse bestuursrechtelijke procedure alleen Nederlands recht relevant is, inclusief internationale en Europese regelgeving.
De Raad stelde vast dat het bewijs, ook indien onrechtmatig verkregen volgens Turks recht, mag worden gebruikt zolang het niet in strijd is met het EVRM of andere fundamentele beginselen. Het beroep van appellanten werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat in Turkije verkregen bewijs rechtmatig mag worden gebruikt in de bestuursrechtelijke procedure en verklaart het hoger beroep ongegrond.