ECLI:NL:CRVB:2018:2869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde middelen en brutering vordering
Appellant kreeg bijstand toegekend, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstandsuitkering over bepaalde perioden vanwege niet gemelde contante stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening. Het college vorderde de gemaakte kosten van bijstand terug en brutereerde de resterende vordering na het kalenderjaar.
Appellant voerde aan dat het ging om leningen voor zijn kinderen en dat hij niet wist dat deze van belang waren voor zijn recht op bijstand. Dit werd niet aannemelijk gemaakt, mede op basis van een schriftelijke verklaring van de moeder van zijn kinderen. De Raad bevestigde dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip en dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
Verder oordeelde de Raad dat het college bevoegd was de terugvordering te bruteren, omdat de vordering niet buiten het toedoen van appellant was ontstaan. De klacht dat appellant slechts tien dagen had om te voldoen om brutering te voorkomen, werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en de brutering van de vordering wegens het niet melden van middelen.