ECLI:NL:CRVB:2018:2850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante heeft zich ziek gemeld wegens psychische klachten en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheid van 77,36% vast en wees een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende was omdat geen nieuw lichamelijk onderzoek was verricht ondanks eerdere hernia en toegenomen klachten. Tevens stelde zij dat haar psychische en lichamelijke beperkingen haar volledig arbeidsongeschikt maken, wat een IVA-uitkering zou rechtvaardigen. Ook voerde zij aan dat het UWV onvoldoende had aangetoond dat een bepaalde reservefunctie nog bestaat.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Nieuwe medische gegevens die het standpunt van appellante ondersteunen, ontbraken. De functie van samensteller kunststof- en rubberproducten werd niet in de beoordeling betrokken. De Raad bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 77,36% is vastgesteld en dat appellante niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante 77,36% bedraagt en wijst het hoger beroep af.