ECLI:NL:CRVB:2018:2663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering bij chronisch vermoeidheidssyndroom en belastbaarheid
Appellant was sinds 2010 werkzaam als productiemedewerker voor 15 uur per week en meldde zich in 2011 ziek met chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts in 2013 werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant verzette zich tegen dit besluit en weigerde aanvankelijk mee te werken aan een aanvullend onderzoek, waarna bezwaar ongegrond werd verklaard. Later verleende appellant alsnog medewerking, waarna het UWV het besluit handhaafde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het protocol CVS niet juist was toegepast en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met medische adviezen die volledige arbeidsongeschiktheid stelden. De Raad oordeelde dat het protocol slechts een hulpmiddel is en dat de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd had waarom de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat er geen aanleiding was het besluit te vernietigen. Hoewel het tweede besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, was appellant daardoor niet benadeeld. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant komt niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.