ECLI:NL:CRVB:2018:2632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- K.J. Kraan
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging overgangsregeling financiële tegemoetkoming bij beëindiging privégebruik dienstauto politie
Appellant, werkzaam bij de politie, maakte sinds 2005 privégebruik van een dienstauto. Na invoering van het Dienstautobeleid politie per 1 juli 2014 moest appellant zijn dienstauto uiterlijk 1 januari 2016 inleveren. De korpschef stelde de financiële tegemoetkoming op basis van het overgangsbeleid vast op achttien maanden, gerelateerd aan de feitelijke gebruiksperiode van ruim negen jaar, en berekende de vergoeding op basis van de gemiddelde fiscale bijtelling in 2014.
Appellant maakte bezwaar tegen de duur en hoogte van de tegemoetkoming, stellende dat het aantal dienstjaren naar boven afgerond moest worden en dat hij recht had op een hogere vergoeding. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de feitelijke gebruiksperiode leidend is voor de overgangsduur en dat de gemiddelde fiscale bijtelling correct was toegepast.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de motivering van de rechtbank en verwerpt het beroep van appellant. De Raad benadrukt dat het begrip 'jaar' in het overgangsbeleid moet worden uitgelegd als een periode van twaalf maanden en dat een afronding naar kalenderjaren niet is bedoeld. Hierdoor zou willekeurige bevoordeling of benadeling worden voorkomen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.