ECLI:NL:CRVB:2018:2531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende onderbouwing zorgverlening
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) over 2014 lager vast te stellen en een bedrag terug te vorderen. Het Zorgkantoor had het pgb vastgesteld op €42.109,06 en €15.161,85 teruggevorderd omdat de verantwoording van de kosten voor begeleiding door Stichting onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard omdat het zorgplan geen duidelijkheid gaf over de aard en omvang van de verleende zorg en daarmee niet voldeed aan de vereisten van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onvoldoende in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord en dat het zorgplan wel degelijk inzicht bood.
De Raad oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden en dat het zorgplan achteraf was opgesteld, waardoor de objectieve bewijskracht ervan afneemt. De toelichting op de zorg was onvoldoende concreet en appellant had niet voldaan aan zijn verplichtingen. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen en het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pgb blijft lager vastgesteld met terugvordering van het teveel betaalde bedrag.