ECLI:NL:CRVB:2018:2526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- A.I. van der Kris
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel 100% verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties
Appellant ontving een WW-uitkering en werd door het UWV meerdere malen een maatregel opgelegd wegens onvoldoende sollicitaties. De laatste maatregel betrof een verlaging van 100% van de uitkering voor de periode van 11 december 2014 tot en met 7 januari 2015. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij door gezondheidsklachten niet aan zijn sollicitatieplicht kon voldoen en dat er dringende redenen waren om af te zien van de maatregel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende sollicitaties had verricht en niet aannemelijk had gemaakt door ziekte niet te kunnen solliciteren. Tevens was het UWV bevoegd om de maatregel van 100% op te leggen en was er geen dringende reden om hiervan af te zien.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er waren geen nieuwe stukken die het standpunt van appellant ondersteunden en er was geen bewijs van onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 augustus 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de maatregel van 100% verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties.