ECLI:NL:CRVB:2018:2515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante diende in 2010 een aanvraag om bijstand in waarbij zij verklaarde alleenstaand te zijn en geen gezamenlijke huishouding te voeren met de medebewoner van het adres, haar neef. Het college kende bijstand toe op basis van deze gegevens. In 2015 stelde het college na onderzoek vast dat appellante vanaf het begin van de bijstand een gezamenlijke huishouding voerde met haar neef, hetgeen niet was gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij het aanvraagformulier onjuist had ingevuld door hulp van een medewerkster van de gemeente, dat zij onvoldoende Nederlands spreekt en onbekend is met regelgeving. Ook stelde zij dat het college te lang wachtte met onderzoek en verwees naar jurisprudentie over terugvordering binnen zes maanden.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat appellante zelf het formulier heeft ondertekend met de onjuiste verklaring. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente het formulier onjuist heeft ingevuld. Het college hoefde niet eerder onderzoek te doen omdat er geen concrete signalen waren. De zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing bij niet tijdig of onjuist verstrekte informatie. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.