ECLI:NL:CRVB:2018:2503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens niet voldaan aan 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WAO-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit af wegens het ontbreken van bewijs dat appellant zich in 2002 ziek heeft gemeld en dat hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij werknemer was in de zin van de Ziektewet en zich vanuit die hoedanigheid ziek had gemeld.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hem had gelegd en dat zijn psychische problematiek in aanmerking genomen had moeten worden. Hij voerde aan dat hij wel degelijk verzekeringsplichtige arbeid had verricht en zich ziek had gemeld. De Raad overwoog dat uit verzekeringsgeneeskundige rapporten bleek dat geen ziekmeldingen in de administratie van het Uwv bekend waren en dat appellant geen bewijs had geleverd van een ziekmelding.
De Raad concludeerde dat appellant niet had voldaan aan het wettelijke vereiste van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid en dat de wachttijd niet was volgemaakt. Het bestreden besluit kon daarom, zij het op een andere grond, in stand blijven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant om een WAO-uitkering is terecht afgewezen wegens het niet voldoen aan de wachttijd van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.