ECLI:NL:CRVB:2018:2471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in 2008 ziek wegens schouderklachten en kreeg vanaf 2010 een WGA-uitkering. Het UWV stelde later vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Na diverse medische onderzoeken en bezwaarprocedures bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen door medicijngebruik en psychische klachten onderschat waren, maar medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) bevestigden de eerdere beoordeling. De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de beperkingen correct waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op herleving van de WIA-uitkering per 1 november 2013 omdat hij niet voldoende arbeidsongeschikt was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op herleving van zijn WIA-uitkering per 1 november 2013 omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.