ECLI:NL:CRVB:2018:216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever bij WIA-uitkering
Werknemer was sinds 2001 in dienst van appellante, laatstelijk als bedrijfsleider, en viel in oktober 2013 uit door nek- en hoofdpijnklachten na een val. Vanaf mei 2015 had hij ook knieklachten. De bedrijfsarts stelde beperkingen vast, waaronder een maximale werktijd van circa twee uur per dag en tien uur per week. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat werknemer niet geschikt was voor ander werk en dat zijn inzet conform mogelijkheden was.
Het UWV stelde echter dat appellante te zware beperkingen hanteerde bij de re-integratie, wat leidde tot onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV verlengde daarom de loondoorbetalingsverplichting. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat de beperkingen juist waren en dat zij had voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de inschatting van de arbeidsmogelijkheden door de verzekeringsartsen overtuigend was onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond, mede omdat zij zich had laten leiden door een onjuiste inschatting van de bedrijfsarts.
De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er werd geen aanleiding gezien voor een deskundigenonderzoek en ook geen veroordeling in de proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting door het UWV wordt bevestigd.