Uitspraak
17.3650 AWBZ
29 maart 2017, 16/3718 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving voor 2014 een pgb van €17.879,06. Het Zorgkantoor stelde dit bedrag bij besluit op nihil vast en vorderde terugbetaling wegens het niet voldoen aan administratieve verplichtingen volgens artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was tot lagere vaststelling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het pgb wel aan AWBZ-zorg was besteed en dat de girale betalingen inzicht gaven in de zorgverlening. Ook beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel en stelde baat te hebben gehad bij de zorg. De Raad overwoog echter dat de administratie onvoldoende was, met ontbrekende urendeclaraties en onduidelijke zorgovereenkomsten, waardoor niet objectief kon worden vastgesteld welke zorg was geleverd.
De Raad concludeerde dat het Zorgkantoor redelijkerwijs het pgb lager mocht vaststellen en terugvorderen. De toezegging van het CIZ bindt het Zorgkantoor niet en het feit dat appellante baat had bij de zorg weerlegt dit niet. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het Zorgkantoor mag het pgb 2014 op nihil vaststellen en terugvorderen.