ECLI:NL:CRVB:2018:2124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A. Beuker-Tilstra
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op één maand salarissuppletie bij kortdurende arbeidsovereenkomst
Appellant en het college van burgemeester en wethouders van Almere sloten een vaststellingsovereenkomst waarin een suppletieregeling was opgenomen voor de periode 1 mei 2012 tot 1 mei 2013, met een maximaal bedrag van €9.600 bruto per jaar. Appellant trad op 1 oktober 2012 in dienst bij een nieuwe werkgever, maar deze arbeidsovereenkomst werd binnen de proeftijd van een maand beëindigd.
Appellant vorderde salarissuppletie over de periode 1 mei 2012 tot 1 mei 2013, maar het college kende slechts één maand suppletie toe omdat appellant slechts één maand daadwerkelijk werkte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de suppletieregeling een vangnet is bedoeld om het verschil in salaris aan te vullen bij een voltijdbaan met een lager jaarinkomen, en dat de duur van de arbeidsovereenkomst bepalend is voor de suppletie. Omdat appellant slechts één maand werkte, was het college gerechtigd om de suppletie naar rato toe te kennen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft slechts recht op één maand salarissuppletie omdat hij slechts één maand in dienst was bij de werkgever.